
Jacobus en de Weg
Ontstaan van de weg

De apostel Jacobus de Meerdere, een van de twaalf apostelen, wordt samen met zijn broer Johannes verschillende malen in het evangelie vermeld als een van de drie uitverkorenen die Christus mochten vergezellen bij uitzonderlijke gebeurtenissen, zoals de gedaanteverandering op de berg Thabor en de doodstrijd in het hof van Olijven. Omstreeks het jaar 44, aan het einde van zijn regeringsperiode, liet Herodes Agrippa I Jacobus onthoofden. Het korte bericht over zijn dood werd opgetekend in de Handelingen van de Apostelen (Handelingen 12:1 1-2)
De weinigen historische gegevens over
Jacobus werden vanaf de derde eeuw aangevuld met legenden. Pas in de 7e
eeuw ontstond de overtuiging dat de apostel naar Spanje was gereisd om daar het
geloof te verkondigen. De legende zegt dat het succes uitbleef waarop de
apostel naar Jeruzalem terugkeerde.
Na zijn marteldood legden twee leerlingen zijn lichaam in een bootje en stapten
mee in. Door een engel geleid, dreef het vaartuig van Palestina naar de kust
van Galicië, naar de monding van de rivier de Ulla. Daar botste het op een steen
en kwam tot stilstand.
De leerlingen gingen met he lichaam van hun meester aan wal en zochten een
geschikte begraafplaats. Ze vonden die een stuk verder landinwaarts. Toen de
discipelen op hun beurt stierven werden ze bijgezet naast Jacobus.
De kleine christengemeenschap die rond de begraafplaats van de heilige ontstaan zou zijn, kende een onfortuinlijk einde tijdens de vervolging van Diocletianus aan het begin van de 4e eeuw. Barbaarse volkeren veroverden daarna Galicië, vertrokken weer en lieten het gebied verlaten achter. Het werd overwoekerd door dicht struikgewas. De drie graftomben met de lichamen van de heiligen mannen werden vergeten.
Eeuwen gingen voorbij en niemand dacht aan het graf van de heilige Jacobus, tot het omstreeks het jaar 813 ontdekte en geïdentificeerd werd door Theodomirus, bisschop van Iria Flavia. De vondst van het apostellichaam betekende dat het Iberisch schiereiland, naast Rome, nu ook op een apostolische traditie kon bogen. Sint Jacob heette er voortaan San Tiago, Santiago. Zijn graf werd de kern van een der religieuze hoofdsteden van de westerse wereld.
De weg
Quatuor viae sunt... "Vier wegen zijn er die naar Sint Jacob leiden. In Puenta la
Reina, in het Spaanse land, voegen ze zich samen en vormen vanaf dit punt nog
slechts één weg"Aldus staat geschreven in de Gids voor de pelgrim, een
onderdeel van het omstreeks 1140 samengestelde boek van Sint Jacob, het
beroemde Liber Sancti Jacobi, ook Codex Calixtinus genoemd.
De vier wegen door Frankrijk vertrekken alle uit een heiligdom: de basiliek van
de heilige Magdalena in Vézelay, het graf avn de heilige Martinus te Tours, het
oude en befaamde Mariaoord in Le Puy-en-Vélay en tenslotte de kerk van
Saint-Gilles-du-Gard. De latste weg gaat over de Pyreneeën via de pas van de
Somport, dit is de Aragonese weg. De andere drie wegen komen samen in Ostabat
om als één weg de Pyreneeën over te gaan via de pas van Ibañeta naar
Roncesvalles, de Navarrese weg. Vanaf Puente la Reine bestaat er nog 1 weg.
Een weg is steeds een verbinding tussen twee oorden en de camino de Santiago
maakt daar geen uitzondering op. Uit de geschiedenis blijkt echter dat deze weg
nog meer betekend dan louter een verbinding tussen twee plaatsen. In het
verleden was hij voor de christelijke koninkrijken van Noor-Spanje een vitale
ader, van belang voor de beveiliging van hun grenzen tegen de Moren en voor de
contacten met het Europa van over de Pyreneeën.
De oudste weg naar Santiago, de zogenaamde camino del Norte, liep van Oviedo naar het pas ontdekte apostelgraf. Het is de weg die koning Alfonso II van Asturië (791-842) volgde om als eerste de relieken van Jacobus te vereren. Deze weg kreeg nooit de status van de camino Frances, wel is hij nu nog een van de vele "alternatieve" pelgrimsroutes.
Overgenomen uit: Onderweg naar Santiago, van Mireille Madou